All posts in Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, loon

Normbedrag gebruikelijk loon dga stijgt fors in 2024

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, loon
Reacties uitgeschakeld voor Normbedrag gebruikelijk loon dga stijgt fors in 2024

Per 1 januari 2024 stijgt het normbedrag voor de vaststelling van het gebruikelijk loon van een dga fors naar € 56.000 (2023: € 51.000). Wat betekent dit voor u?

Regels gebruikelijk loon 

Als dga moet u een loon ontvangen dat gebruikelijk is voor het niveau en de duur van uw werkzaamheden. Als vuistregel geldt dat u het loon in 2024 moet vaststellen op het hoogste van de volgende bedragen:

a) 100% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; 
b) het loon van de meest verdienende werknemer binnen de onderneming of een daarmee verbonden lichaam;
c) € 56.000.

Onder omstandigheden mag u het loon lager vaststellen. Dit geldt bijvoorbeeld bij werken in deeltijd of in verliessituaties waarbij de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. Voor startende ondernemingen met een liquiditeitstekort mag het gebruikelijk loon van een dga tijdelijk worden vastgesteld op het wettelijk minimumloon. 

Let op: wij constateren in de praktijk dat het loon van een dga te vaak meteen op het normbedrag wordt vastgesteld, zonder eerst stil te staan bij de toets onder punt a.   

Loon uit meest vergelijkbare dienstbetrekking

Ter vaststelling van het dga-loon is het belangrijk dat u nagaat wat het loon is van een werknemer in de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Bij deze vergelijking spelen onder andere de volgende criteria een rol:  de branche, de grootte van uw bedrijf, het aantal werknemers, het werkpakket, het tijdsbeslag en uw verantwoordelijkheden. Als hieruit volgt dat het loon lager is dan € 56.000 per jaar, dan mag u uw loon vaststellen op dit lagere loon. Zorg dan wel voor een goede onderbouwing hiervan voor in uw dossier.

Anderzijds is het ook mogelijk dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking uitkomt op een hoger bedrag dan € 56.000 per jaar. In dat geval moet u dit hogere bedrag hanteren. Ook in deze situatie is het belangrijk dat u vastlegt op basis van welke gegevens u dit loon hebt vastgesteld.  

Schriftelijke vastlegging

Als uw loon in 2024 moet worden aangepast, dan is hiervoor een aandeelhoudersbesluit nodig. Dit vraagt om een goede vastlegging van de gewijzigde beloningsafspraak.

Managementvergoeding

Ga bij een eventuele (forse) verhoging van uw loon ook na of uw managementvergoeding en de managementovereenkomst hierop moeten worden aangepast.

(Bron: ABAB)

Lange tijd is uitgekeken naar dit arrest omdat de arbeidsmarkt steeds meer en andere varianten van arbeid kent. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bezorgers van Deliveroo in Nederland werkzaam waren op basis van een arbeidsovereenkomst en dus niet op basis van zelfstandigheid. Dit oordeel zorgt ervoor dat de bezorgers werknemersbescherming krijgen. Denk aan het recht op ontslagbescherming, loondoorbetaling bij ziekte, vakantiegeld en vakantiedagen. De gevolgen voor de praktijk zijn groot. In dit artikel leest u wat dit voor u kan betekenen.

Drie eisen van de arbeidsovereenkomst

De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan in de zaak van de bezorgers van het inmiddels uit Nederland vertrokken platform Deliveroo. Er is namelijk voldaan aan de drie eisen die de wet aan een arbeidsovereenkomst verbindt:

  • Persoonlijke arbeidsverrichting door de werknemer.
  • Loonbetaling door de werkgever.
  • Het werken onder gezag van de werkgever.

Dat de bezorgers de vrijheid hadden om wel of niet in te loggen op de app en het feit dat zij de vrijheid hadden zich te laten vervangen, zijn geen reden om niet van een arbeidsovereenkomst te spreken. Volgens de Hoge Raad moeten deze argumenten worden bezien in de context van alle omstandigheden. In deze situatie wegen de aspecten die wél op een dienstbetrekking wijzen zwaarder dan de vrijheden die minder op een dienstbetrekking wijzen. Er is dus sprake van een dienstbetrekking; wezen gaat voor schijn.

Welke omstandigheden noemt de Hoge Raad?

Om het onderlinge verband van alle genoemde omstandigheden te bepalen gaat de Hoge Raad uit van een zogenaamde holistische benadering, waarbij gekeken moet worden naar diverse gezichtspunten. Van belang kunnen onder meer zijn:

  • De aard en duur van de werkzaamheden.
  • De wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald.
  • De inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht.
  • Het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren.
  • De wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen.
  • De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd.
  • De hoogte van deze beloningen.
  • De vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.

Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het verwerven van een reputatie, acquisitie, fiscale behandeling,  voor wie hij werkt of heeft gewerkt (-gelet op het aantal opdrachtgevers) en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.

Wetgever aan zet

Het is nu aan de wetgever om een en ander tot uitdrukking te brengen in nieuwe wetgeving. Met name de nadere invulling van het begrip ‘organisatorische inbedding’ is van belang voor bedrijven die werken met zzp’ers die werkzaamheden verrichten die tot de normale bedrijfsvoering behoren.

Wat betekent dit voor u?

Het arrest van de Hoge Raad heeft mogelijk ook gevolgen voor uw organisatie. Er zal in de regel eerder sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Op basis van alle omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Inbedding van het werk in de organisatie van de opdrachtgever is slechts één van deze omstandigheden maar neemt geen bijzondere positie in.

Nieuw is dat in deze toets meer aandacht besteed lijkt te gaan worden aan de vraag of de werker zich in het maatschappelijk verkeer gedraagt of kan gedragen als ondernemer. Daarnaast zal meer nadruk komen te liggen op hoe partijen in de praktijk werken zoals de aard en duur van de werkzaamheden, beloning en de werkwijze. Aan contractuele bepalingen, die enkel tot doel hebben het bestaan van een arbeidsovereenkomst uit te sluiten wordt dus ook weinig waarde aan gehecht. Daarmee roept dit arrest de vraag op wat dit betekent voor de Wet DBA. De toekomst zal dit uitwijzen.

Voor uw organisatie is dus belangrijk om te (laten) toetsen of op basis van dit arrest alsnog sprake is van een dienstbetrekking. Er moet gekeken worden naar alle omstandigheden. De aanwezigheid van een modelovereenkomst van de Belastingdienst, lijkt vanuit deze optiek onvoldoende om een arbeidsrelatie uit te sluiten. Welke aanpassingen zijn noodzakelijk om de risico’s in te perken? Hoe kunt u bijsturen? Onze specialisten helpen u graag.

(Bron: DRV)

Als je werknemer verhuist in het kader van zijn dienstbetrekking, dan is het mogelijk de verhuiskosten belastingvrij te vergoeden. Hiervoor geldt namelijk een gerichte vrijstelling.

Gerichte vrijstelling verhuiskosten

Onder deze gerichte vrijstelling mag je belastingvrij een bedrag van maximaal € 7.750 aan verhuiskosten vergoeden. Daarnaast kun je belastingvrij ook de werkelijke kosten voor het overbrengen van de inboedel vergoeden. Deze vergoeding komt dus boven op het fiscaalvrije bedrag van maximaal € 7.750.

Let op! Deze vergoedingen mag je alleen verstrekken als de verhuizing plaatsvindt in het kader van de dienstbetrekking bij jou. De verhuizing moet daarom voldoende samenhang hebben met de dienstbetrekking.

Wanneer is sprake van ‘in het kader van de dienstbetrekking’

De verhuizing is in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking als:

  • de werknemer binnen 2 jaar verhuist na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen een bestaande dienstbetrekking; én
  • de afstand tussen de woning en de plaats van de dienstbetrekking door de verhuizing minimaal 60% kleiner wordt; én
  • deze afstand vóór de verhuizing minimaal 25 kilometer bedraagt.

Tip! Voldoet de verhuizing van jouw werknemer niet aan deze voorwaarden, dan kan de verhuizing nog steeds plaatsvinden in het kader van de dienstbetrekking. Je moet dat dan wel aannemelijk maken.

Verhuizen, maar niet voor het werk

Vindt de verhuizing niet plaats in het kader van de dienstbetrekking, dan kun je verhuiskosten toch onbelast aan jouw werknemer vergoeden door deze aan te wijzen in de vrije ruimte. Ook kosten die niet onder de gerichte vrijstelling voor verhuiskosten vallen, zoals de aan- en verkoopkosten van de woning, kun je aanwijzen in de vrije ruimte.

Regels vrije ruimte

Voor het aanwijzen in de vrije ruimte gelden regels. Zo moet het bijvoorbeeld gebruikelijk zijn om de vergoedingen aan te wijzen. Bovendien is de vrije ruimte beperkt. In 2023 bedraagt deze 3% over de eerste € 400.000 van de totale loonsom en 1,18% over het meerdere. Komt het totaal van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die je in 2023 aanwijst boven deze vrije ruimte, dan betaal je als werkgever 80% eindheffing over dit meerdere.

(Bron: De Jong en Laan)

In beginsel ben je als werkgever de lage WW-premie verschuldigd als sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met jouw werknemer. Maakt deze werknemer in een kalenderjaar echter meer dan 30% extra uren dan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen uren, dan ben je met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie verschuldigd (herziening).

Let op! De hoge WW-premie bedraagt in 2023 7,64% en de lage WW-premie 2,64%. Als je met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie verschuldigd bent, kost dat dus 5% extra.

Steven AkseHR adviseur

Tip! Als in de schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gemiddeld 35 uren of meer per week zijn opgenomen, hoef je niet te herzien als de werknemer meer dan 30% extra uren maakt.

Berekening per werkgever

De berekening van de meer dan 30% extra uren gebeurt aan de hand van het aantal verloonde uren en de in de arbeidsovereenkomst opgenomen uren over het gehele kalenderjaar. Deze berekening vindt echter plaats per werkgever.

Bij omzetting van jouw eenmanszaak in een bv, is sprake van twee werkgevers. De bv wordt dan namelijk gezien als een nieuwe werkgever. Dit betekent dat de berekening van de meer dan 30% extra uren over twee perioden moet plaatsvinden. Een keer voor de periode vóór oprichting van de bv en een keer voor de periode ná oprichting van de bv. Dat dit niet altijd gunstig uitvalt, blijkt uit het volgende voorbeeld.

Voorbeeld

Je hebt een werknemer in dienst met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 20 uur in de week. In de maanden mei, juni, juli, augustus en september werkt deze werknemer gedurende 21 weken 33 uur per week (overwerk). Over het gehele jaar verloon je voor deze werknemer dus 1.313 uren (31 weken x 20 uren + 21 weken x 33 uren), terwijl contractueel 1.040 uren (52 weken x 20 uren) zijn overeengekomen. Deze werknemer werkt over het gehele jaar 26,25% meer dan contractueel overeengekomen. Je hoeft daarom niet met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie te betalen.

Als je echter in dit kalenderjaar jouw onderneming inbrengt in een bv en de bv bij de notaris opricht op bijvoorbeeld 2 oktober 2023 is dat anders. Tot 2 oktober 2023 verloon je in jouw eenmanszaak voor deze werknemer dan 1.053 uren (18 weken x 20 uren + 21 weken x 33 uren), terwijl contractueel 780 uren (39 weken x 20 uren) zijn overeengekomen. De werknemer werkt over deze periode 35% meer dan contractueel overeengekomen. Dat betekent dat je in jouw eenmanszaak met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 alsnog de hoge WW-premie moet betalen tot en met september.

Tip! Je kunt de hoge WW-premie uit het voorbeeld voorkomen door met jouw werknemer overeen te komen dat de contracturen in de periode mei tot en met september worden uitgebreid van 20 naar 33 uren. In dat geval blijf je de lage WW-premie betalen, onder de voorwaarden dat tijdens de extra 13 uren hetzelfde werk wordt verricht onder dezelfde arbeidsvoorwaarden. Dit geldt in ieder geval in de jaren 2020 tot en met 2023. Vanaf 2024 is dit waarschijnlijk anders.

(Bron: De Jong en Laan)

Lager gebruikelijk loon vanwege beperkte resultaten bv

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, loon
Reacties uitgeschakeld voor Lager gebruikelijk loon vanwege beperkte resultaten bv

Als de resultaten van een bv vóór de toepassing van het gebruikelijk loon vaak lager zijn dan het vaste minimum, is dat in beginsel reden om het gebruikelijk loon te matigen.

Een man en zijn echtgenote houden in 2018 elk 50% van de aandelen in een holding. De man is tevens directeur van deze holding. De holding is bestuurder en voor 50% aandeelhouder van twee dochtervennootschappen. Voor al deze vennootschappen verricht de man werkzaamheden. Vanwege deze werkzaamheden neemt de Belastingdienst bij de dga over het jaar 2018 een bedrag van € 45.000 aan gebruikelijk loon in aanmerking. Dit is in dat jaar het vaste minimumbedrag. De dga weet echter voor Hof Den Haag overtuigend aan te tonen dat zijn gebruikelijk loon lager moet zijn dan dit minimum. Zo blijkt uit de jaarstukken en aangiften vennootschapsbelasting van de holding dat haar winsten in de jaren 2015 – 2021 gemiddeld genomen zeer bescheiden zijn. In de jaren 2019 en 2020 verlies heeft de holding zelfs verlies geleden. Daarnaast heeft de holding in alle jaren een negatief ondernemingsvermogen en een forse schuld aan de dga.

Lage resultaten van dochtervennootschappen

Hoewel in 2018 de belastbare winst van de holding met een bedrag van € 35.617 relatief hoog is geweest, is dat te weinig om het vaste minimum aan gebruikelijk loon te hanteren. Daardoor zou immers de winst direct negatief worden. Ook zou de holding dan niet meer in staat zijn bescheiden investeringsbeslissingen te nemen. Dit zou de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen. Verder zijn de resultaten van de dochtervennootschappen zo laag geweest, dat zij de financiële positie van de holding niet hebben versterkt. Op 9 augustus 2019 is een van de dochtervennootschap zelfs ontbonden vanwege een gebrek aan baten. Het hof accepteert echter geen gebruikelijk loon van nihil. Dat komt onder meer doordat de holding wel een bedrag aan loonkosten heeft opgegeven. Uiteindelijk stelt het hof het gebruikelijk loon vast op € 10.240.

(Bron: Taxence)

Werkgevers worden met ingang van 2022 jaarlijks verplicht om betalingen aan derden te melden bij de Belastingdienst (renseigneringsverplichting). Betalingen die u heeft gedaan aan derden in 2022 moet u melden vóór 1 februari 2023. U dient te voldoen aan deze nieuwe meldingsplicht op eigen beweging en krijgt dus géén uitnodiging van de Belastingdienst.

Wanneer moet u melden?

De nieuwe meldingsplicht geldt in principe voor alle betalingen die u doet aan alle personen. Een aantal specifieke groepen zijn uitgezonderd van deze meldplicht:

  • Betalingen aan rechtspersonen (zoals een B.V., N.V. of stichting);
  • betalingen aan (eigen) werknemers;
  • betalingen aan vrijwilligers (voor zover deze de maximale vrijwilligersvergoeding niet overschrijden);
  • betalingen op grond van facturen die voldoen aan de eisen van de Wet op de omzetbelasting en waarop de btw is vermeld;
  • betalingen aan artiesten, beroepssporters of leden van een gezelschap die op grond van een verdrag niet in Nederland zijn belast.

Op basis van de renseigneringsverplichting, moet u betalingen die u als werkgever doet aan ondernemers die vrijgestelde prestaties verrichten of die onder de kleineondernemingsregeling voor de btw (KOR) vallen in principe melden. Ook betalingen aan derden, niet-werknemers moeten worden gemeld als géén (rechts)geldige factuur met btw ten grondslag ligt aan deze betaling.

In 2022 verrichte betalingen die voor de renseigneringsverplichting in aanmerking komen, dient u uiterlijk 31 januari 2023 te hebben gemeld bij de Belastingdienst. De voor de renseigneringsverplichting in aanmerking komende betalingen die u in de loop van kalenderjaar 2023 of later doet, kunt u in beginsel op ieder moment melden, maar uiterlijk vóór 31 januari van het jaar na de betaling. Om niet het risico te lopen dat u betalingen over het hoofd ziet, kan het raadzaam zijn om de daarvoor in aanmerking komende betalingen direct na het doen van de betaling te melden.

Wat moet u melden?

Onderstaande gegevens moet u doorgeven aan de Belastingdienst, uiterlijk vóór 1 februari van het jaar volgend op het jaar van de betaling.

  • De uitbetaalde bedragen (let op: kostenvergoedingen vallen hier in principe ook onder).
  • De datum van de uitbetaling.
  • Het BSN, de naam, het adres, en de geboortedatum van de ontvanger van de betaling.

Hoe kunt u melden?

Iedere afzonderlijke betaling moet digitaal worden gemeld via het gegevensportaal van de Belastingdienst. Deze is te raadplegen via deze link. Hier kunt u inloggen in het Gegevensportaal Uitbetaalde Bedragen aan Derden om de melding in te dienen.

(Bron: Koenen en co)

Bent u eigenrisicodrager? En betaalt een private uitvoerder namens u uitkeringen voor de Ziektewet (ZW) of de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) aan uw (ex-)werknemers? Dan mag u voor een werknemer het systeem van voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) apart toepassen: u op het loon dat u als werkgever betaalt, en de private uitvoerder op de uitkeringen.

Nieuwe meldingsregels vanaf 2023

Vanaf 2023 gelden nieuwe meldingsregels als u het systeem van voortschrijdend cumulatief rekenen apart wilt toepassen. U moet uw keuze om apart VCR toe te passen bij ons melden. Past u VCR niet langer apart toe, dan meldt u dat ook. Kiest u ervoor om de systematiek van VCR apart op het loon en op de uitkering toe te passen? Dan kunnen de premies werknemersverzekeringen of de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) hoger of lager zijn wanneer u dat niet apart doet. Dat is het gevolg van uw keuze om apart VCR toe te passen.

Wanneer moet u uw keuze melden?

Het moment waarop u uw keuze aan ons doorgeeft, hangt af van uw situatie:

  • Eigenrisicodrager per 1 januari 2023
    Wordt u per 1 januari 2023 eigenrisicodrager en maakt u gebruik van een private uitvoerder? Dan moet uw melding uiterlijk 28 februari 2023 bij ons binnen zijn.
  • Eigenrisicodrager per 1 juli 2023
    Wordt u per 1 juli 2023 eigenrisicodrager en maakt u gebruik van een private uitvoerder? Dan moet uw melding uiterlijk 31 augustus 2023 bij ons binnen zijn.
  • Nieuwe werkgever in de loop van 2023
    Start u in de loop van 2023 als nieuwe werkgever, bent u direct eigenrisicodrager en maakt u gebruik van een private uitvoerder? Dan moet uw melding bij ons binnen zijn op de uiterste aangiftedatum van uw 1e aangifte loonheffingen. Moet u bijvoorbeeld voor het eerst aangifte doen over het aangiftetijdvak juni 2023, dan moet de melding op 31 juli 2023 bij ons binnen zijn.
  • Wijziging van private uitvoerder
    Stapt u over naar een andere private uitvoerder en wilt u dat de nieuwe private uitvoerder ook apart VCR toepast? Meld uw keuze voor apart VCR dan opnieuw aan ons wanneer u overstapt.
  • Einde van apart VCR
    Kiest u ervoor om niet langer apart VCR toe te passen? Of maakt u niet langer gebruik van een private uitvoerder? Meld dat dan bij ons op het moment dat de situatie verandert. De keuze om niet langer apart VCR toe te passen geldt voor een heel kalenderjaar.

Wanneer hoeft u uw keuze niet te melden?

In deze gevallen hoeft u uw keuze niet door te geven:

  • U hebt vorig jaar al aan ons doorgegeven dat u apart VCR toepast en u blijft in 2023 eigenrisicodrager met dezelfde private uitvoerder. Zolang daarin niets verandert, hoeft u niets aan ons te melden.
  • U bent eigenrisicodrager voor de WGA en UWV betaalt de uitkering aan uw (ex-)werknemers.

Wie kan de melding doen?

U moet de melding zelf bij ons doen. Uw private uitvoerder mag dit ook namens u doen, maar heeft daarvoor wel een expliciete machtiging van u nodig.

Hoe moet ik melden en wat moet er in de melding staan?

Stuur de melding per e-mail naar MeldingVCR@belastingdienst.nl.

Zet bij een nieuwe melding in elk geval:

  • uw loonheffingennummer
  • of u eigenrisicodrager bent of wordt voor de ZW, voor de WGA of voor beide
  • dat u de ZW- of WGA-uitkering, of beide uitkeringen, via een private uitvoerder laat uitbetalen
  • dat u ervoor kiest om het VCR-systeem apart toe te passen

Meldt u een wijziging van private uitvoerder of een einde van apart VCR? Vermeld dan in elk geval:

  • uw loonheffingennummer
  • of u eigenrisicodrager bent of was voor de ZW, voor de WGA of voor beide
  • wat de wijziging is
  • per wanneer die wijziging ingaat

Geen eigenrisicodrager meer

Eindigt uw eigenrisicodragerschap, maar blijft u wel gebruikmaken van de private uitvoerder? Dan blijven u en de private uitvoerder apart VCR toepassen zolang de private uitvoerder namens u uitkeringen betaalt.

Meer informatie over VCR

Wilt u meer weten over de systematiek van VCR? Lees dan hoofdstuk 6 van het ‘Handboek Loonheffingen‘.

(Bron: Belastingdienst)

Vanaf 2023 gaat de Belastingdienst soepeler om met de toepassing van het anoniementarief. Dit is het tarief dat u moet toepassen als een werknemer niet (meteen) zijn volledige of juiste persoonsgegevens aan u opgeeft. Wat houdt deze versoepeling in?

Anoniementarief

Als werkgever moet u het anoniementarief toepassen als:

  • Uw werknemer niet zijn volledige of juiste gegevens opgeeft en u dit wist of had kunnen weten. Denk aan naam, adres, woonplaats en burgerservicenummer (BSN).
  • U de identiteit van uw werknemer niet op de juiste wijze heeft vastgesteld en/of u het kopie identiteitsbewijs niet op een juiste manier bewaart in uw administratie.
  • Uw werknemer geen geldige verblijfs- of tewerkstellingsvergunning heeft.

Moet u het anoniementarief toepassen? Dan moet u 52% loonbelasting/premies volksverzekeringen op het loon inhouden, zonder rekening te houden met:

  • de loonheffingskorting;
  • het maximumpremieloon voor de premies werknemersverzekeringen;
  • het maximumbijdrageloon voor de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (Zvw).

Herstellen toegepast anoniementarief

Leverde uw werknemer in de loop van het jaar alsnog de ontbrekende gegevens aan? Dan was het tot voor kort niet mogelijk om een eerdere inhouding op basis van het anoniementarief te herstellen. Uw werknemer kon de (te hoge) inhouding later wel verrekenen via zijn aangifte inkomstenbelasting. Voor u als werkgever was het echter niet mogelijk om een bedrag aan teveel afgedragen premies werknemersverzekeringen of werkgeversheffing Zvw terug te ontvangen.

Vanaf 2023 is het wél toegestaan om – na ontvangst van de volledige juiste gegevens – een eerdere inhouding op basis van het anoniementarief te herstellen. Dit herstel mag alleen plaatsvinden in het jaar waarin de werknemer alsnog de juiste gegevens heeft aangeleverd. U herstelt een eerdere inhouding op basis van het anoniementarief door correcties van eerdere loonaangiften van dat jaar naar de Belastingdienst te verzenden.

Ontbreken van BSN

Soms komt het voor dat het ontbreken van een BSN buiten de invloedsfeer van de werknemer of werkgever ligt. Denk aan een vertraagde behandeling door de gemeente. Kunt u dit aantonen? Dan hoeft u vanaf dit jaar de het anoniementarief niet meer toe te passen.

(Bron: Abab)

Betaalde je in 2022 bedragen aan natuurlijke personen? Geef dan uiterlijk 31 januari 2023 deze bedragen door aan de Belastingdienst. De Belastingdienst gaat soepel om met verzoeken om uitstel.

Het verplicht doorgeven van de betaalde bedragen aan de Belastingdienst wordt ook wel de renseigneringsverplichting genoemd. Voor de jaren vanaf 2022 zijn inhoudingsplichtigen en bepaalde collectieve beheersorganisaties verplicht uit eigen beweging de betalingen aan natuurlijke personen door te geven (de opgaaf Uitbetaalde Bedragen aan Derden, ook wel opgaaf UBD genoemd). Aan deze verplichting moet uiterlijk 31 januari 2023 worden voldaan als het gaat om betalingen in 2022.

Uitzonderingen

Voor bepaalde betalingen geldt een uitzondering, die hoef je niet door te geven. Dit geldt bijvoorbeeld voor betalingen aan natuurlijke personen voor werkzaamheden en diensten waarvoor een factuur is uitgereikt met btw.

Let op! De Belastingdienst is van mening dat deze uitzondering niet geldt voor betalingen aan natuurlijke personen voor werkzaamheden en diensten waarvoor een btw-vrijstelling geldt. Ook voor de ondernemer die de kleineondernemersregeling (KOR) toepast, geldt de uitzondering niet. De betalingen die je in 2022 deed aan deze natuurlijke personen moet je daarom ook uiterlijk 31 januari 2023 doorgeven aan de Belastingdienst.

Uitstel voor het doen van de opgaaf UBD

Lukt het niet om uiterlijk 31 januari 2023 de opgaaf UBD te doen? Dan kun je bij het belastingkantoor waaronder je valt om uitstel vragen. Je moet daarbij wel de reden vermelden waarom je uitstel nodig hebt. De Belastingdienst heeft toegezegd soepel om te gaan met verzoeken om uitstel voor het doen van de opgaaf UBD. 

Tip! Weet je niet precies welk belastingkantoor je moet aanschrijven? Op bijvoorbeeld de aangiftebrief loonheffingen of de uitnodiging om opgaven UBD te doen staat het betreffende belastingkantoor vermeld.

(Bron: De Jong & Laan)

De Belastingdienst attendeert werkgevers op het herzien van de lage AWf-premie over 2022. De premie moet worden herzien als je jouw werknemers in 2022 meer dan 30 procent méér uren hebt betaald dan het aantal contracturen voor dat jaar. Dit staat bekend als de zogenaamde 30 procent-herzieningsregeling. Je kunt de premie herzien door de aangiften loonheffingen over 2022 te corrigeren.

Premie Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf)

De AWf kent een lage AWf-premie van 2,7 procent en een hoge AWf-premie van 7,7 procent (cijfers 2022). Welke premie jij als werkgever betaalt, is afhankelijk van het soort arbeidscontract dat je met jouw werknemer hebt gesloten.

Wanneer lage  of hoge AWf-premie?

Je betaalt voor jouw werknemer de lage AWf-premie wanneer de arbeidsovereenkomst aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • het gaat om een arbeidscontract voor onbepaalde tijd,
  • het contract is schriftelijk vastgelegd, én
  • het arbeidscontract is geen oproepcontract.

Voldoet het contract niet aan alle voorwaarden, dan betaal je de hoge AWf-premie, tenzij er sprake is van een uitzondering.

Wanneer herzien?

Je mag de lage AWf-premie herzien bij de aangifte loonheffingen over het laatste tijdvak van 2022 (december of 13e vierwekenperiode). Wie de herzieningsberekening pas na de laatste aangifte van het jaar maakt, kan in januari of februari 2023 eerdere aangiften loonheffingen over 2022 corrigeren. Dat kan met zogenoemde losse correcties.

(Bron: Alfa)